Kunsteducatie met pubers is uitdagend, verrassend en zeer waardevol. Pubers hebben een aantal eigenschappen die eigen zijn aan de doelgroep. Zoals geweten zijn het geen kinderen, noch volwassenen en dat is een bijzonder dynamische, soms explosieve mix.
Uiteraard is werken met deze leeftijdscategorie geen evidentie. Sommige docenten blijven er liever af, anderen doen niets liever. Hoe komt het nu dat de ene docent dit als zeer fijn ervaart, de andere als het afzakken naar de hel? Volgens mij heeft veel te maken met het inzicht van de docent in de doelgroep. Wat kan je wel verwachten, wat niet? Daarmee bedoel ik niet dat de lat laag gelegd moet worden, maar gewoon dat je de lat misschien beter op een andere plaats legt. Pubers zijn vaak creatiever in oplossingen zoeken. Dat merk je wel als ze iets uitgespookt hebben. De uitvluchten kunnen blijven komen. Ze kunnen deze creativiteit ook gebruiken in de kunsteducatie. Gebruik dit als docent en blokkeer hen niet meteen door te zeggen dat iets niet haalbaar is. Sommige ideeën zijn fantastisch alleen is dat materiaal er niet dus moeten ze ook daar een oplossing voor zoeken. Bewaak zelf of iets platvloers is, blokkeer dat. De lat ligt immers niet lager.
Dit zijn principes waar ik me aan houd als ik met pubers werk:
- Neem tijd om hun naam te leren. Persoonlijk contact is zeer belangrijk.
- Geef hen inspraak, besef dat ze afwisseling willen tussen actief en passief handelen.
- Doe zelf mee en laat zien dat “gek” doen resultaat oplevert.
- Geef hen de verantwoordelijkheid hun eigen grenzen te verleggen.
- Geef veel positieve bevestiging.
- Bouw je sessie zo op dat ze snel in kleine stappen tot een goed resultaat komen. Als architect van je sessie heb je zelf veel verantwoordelijkheid.
- Doe niet speciaal populair. Je bent niet één van hen, je bent er voor hen.
Als je weet hoe het brein van de puber werkt, kan je er rekening mee houden. Werken met hen wordt dan steeds opnieuw een verrassing. Lees veel meer over het gedrag van de puber in het artikel “afwijkend gedrag bij pubers is (niet meer dan) normaal” door Dr. Menno Ezinga van de Vrije Universiteit Amsterdam.





